|
|
Auteur: lawine Gepubliceerd: 2007-01-14 19:24:23 Laatste wijziging: 2007-01-14 19:13:31 Labels: avontuur demon dragons dungeons verhaal |
|
Muisstil schoof Angelus de zware eikenhouten deur op een kier, net ver genoeg om onopvallend een kijkje naar binnen te kunnen nemen. Aan de dikke laag stof te zien, was hier al jarenlang geen levende ziel meer geweest, maar als er één ding was dat Angelus in zijn carrière als Rogue ondertussen wel had geleerd, dan was het dat je niet voorzichtig genoeg kon zijn. Terwijl hij dat overpeinsde, wreef hij even over de zere plek waar die gifpijl hem gisteren getroffen had, een incident dat hem nog bijna fataal geworden was ook.
“Hoe zit het daaw? Kunnen we bijna vewdew?” Het geduld van Tryggvi raakte stilaan op.
“Wacht, nog even. Er is hier iets niet pluis.” Angelus tastte voorzichtig de tegels op de vloer af, terwijl hij zijn blik over de muren van het gangetje liet glijden. Geen overbodige voorzorg, zo bleek weer maar eens, want halverwege de gang ontdekte Angelus een drukplaat, verbonden met een kruisboog aan de overstaande deur.
“Wat heb je gevonden?”
“Er ligt een val, midden in de gang, en hij ziet er gevaarlijk uit. Ik kan proberen om hem te ontmantelen, maar het risico dat hij afgaat is vrij groot.”
“Kunnen we er niet omheen?”
“Nee, de gang is te smal... Wat we wel kunnen doen is de val activeren, maar dan hebben we iets zwaar nodig om op de drukplaat te gooien.”
“Is Bolik zwaar genoeg?” Adarel lachte luid om zijn eigen dwergenmop.
Bolik gromde en keek hem dreigend aan. “Heel grappig, Elf. Ik ga wel een steen zoeken of zo.”
“Zorg wel dat je tegen de muur aangedrukt staat, anders raakt die pijl je misschien nog. Ik kan niet zien waar ze precies op gericht is.” Angelus’ waarschuwing kwam te laat, of juist te vroeg. In ieder geval hebben dwergen geen oren naar goede raad als ze druk bezig zijn met stenen sjouwen. Bolik wierp met alle kracht die zijn korte, dikke lichaampje kon opbrengen de steen op de tegel. De val ging inderdaad af, maar de pijl miste de steen en trof Bolik, die blijkbaar gezellig naast de steen was blijven staan, vol in het dijbeen.
“Verrek.” Naast pijn was vooral verbazing van Boliks gezicht af te lezen.
“Ja, ik zei het je nog. Ga tegen de muur staan, zei ik.”
“Rot op, Rogue. Daar kom je nu mee af.”
Adarel liep nu ook de gang in. “Zouden jullie niet stoppen met bekvechten en die pijl uit zijn been halen?”
“Dat is ook een idee.” Bolik beet z’n onderlip bijna over, terwijl Angelus na enig wrikken erin slaagde om de pijl te verwijderen. De wonde begon nu nog harder te bloeden, maar Bolik legde er vlug een verband rond.
“Kunnen we nu dan eindelijk vewdew?” Tryggvi had al lang genoeg van dat dwaze geklungel, eerst met die mysterieuze zingende orb en nu met deze val. Zijn zwaard snakte naar vers bloed, en vol overgave stootte hij de volgende deur open.
Met geheven zwaard beende Tryggvi de kamer binnen, maar teleurgesteld liet hij zijn wapen zakken, toen hij merkte dat er buiten een felgroene schijn niets bijzonders op te merken was. Wel vreemd was de vorm van de kamer. Achterin was een deel van de muur weg, en de groene schijn leek vanuit de andere kamer te komen. Het enige probleem: de kamers waren nog eens gescheiden door een put met spijkers op de bodem ook...
“Laat dit maaw aan mij ovew.” Zonder verdere uitleg stripte Tryggvi uit zijn armor, bond een touw rond zijn middel en zette zich schrap voor de sprong. “Ik zal wel woepen als ik het vastgebonden heb aan de ovewkant.”
Op het moment dat Tryggvi nog maar net met één voet aan de overkant neerkgekomen was, sprong plots een grote, zwarte demoon van om de hoek, die van de verrassing gebruik maakte om Tryggvi een stevige por te geven. Nog volledig uit balans slaakte Tryggvi een gil, en viel achterover in de put. Recht op de spijkers. Tryggvi kreunde, nog niet goed beseffend wat er juist misgelopen was, en rochelde wat bloed op.
Adarel kwam bezorgd aangelopen. “Gaat het?”
“Nee, het gaat niet. Het ligt op de gwond en het spuwt bloed.”
De demoon verdween. Adarel spande zijn boog, klaar om meteen toe te slaan als de demoon ook maar het puntje van zijn neus durfde tonen, en riep ondertussen naar Tryggvi. “Kan je eruit klimmen?”
“Ik zal pwobewen.” Tryggvi klauterde moeizaam recht en probeerde steunpunten te vinden aan de muur, maar die bleek te glad om zo te kunnen beklimmen. Zuchtend en vloekend om zijn eigen impulsiviteit, “waarom had ik ook weer dat onzalige idee om mijn armor uit te gooien?” maakte hij het touw los en legde er enkele dikke knopen in.
Ook Bolik en Angelus waren ondertussen dichterbij gekomen, maar zij dachten er nog niet aan om ook de sprong te wagen. Het was dus aan arme Adarel om zich op te offeren. Die slikte even, maar raapte toch al zijn moed bij elkaar en sprong.
Nipt, dat is de juiste term om Adarels sprong in woorden uit te drukken. Het scheelde niet veel of hij was bovenop Tryggvi in de spijkers gedonderd, maar voorlopig leek hij veilig aan de overkant te zijn geraakt.
Voorlopig, want het duurde niet lang of de demoon liet zich weer zien. Dit keer kreeg iedereen de tijd om hem goed te aanschouwen, en hij zag er echt vervaarlijk uit, met reusachtige, scherpe tanden en klauwen die er nog dodelijker uitzagen dan de lange spijkers in de put.
Adarel vuurde in een bliksemsnelle reactie twee pijlen af op het wezen, en alhoewel hij zeker was dat de pijlen goed gericht waren, leek de demoon ze gewoon van zich af te kunnen schudden.
“Oh-ow. Jongens, helpen jullie ook even?” Adarel draaide zich om, maar zijn vrienden hadden al lang het hazenpad gekozen. In de verte klonken nog de zware voetstappen van Bolik, die zo snel als zijn korte beentjes hem dragen konden van de demoon wegvluchtte, en het angstig geschreeuw van Tryggvi, die wel opgewassen was tegen goblins half zo groot als hemzelf, maar voor een beetje demoon toch de benen nam.
Deze laatste vloog nu langzaam op Adarel af, maar die was niet van plan om de demoon in zijn eentje te trotseren. Hij volgde het voorbeeld van mijn bange vrienden, en maakte zich ook zo snel mogelijk uit de voeten. In zijn haast stuikte hij meteen de put met spijkers in, maar de demoon leek hem er toch niet te volgen...
Hij verzorgde mijn wonden, klom langs de veilige kant terug naar boven en ging zitten wachten op zijn vrienden. Na een half uurtje kwamen die dan toch opnieuw een kijkje nemen, en stelden tot hun verbazing vast dat de Elf nog in leven was.
“Lafaards.”
“Man, heb je die demoon wel goed gezien? Had hij gewild, dan had ‘ie ons allemaal verscheurd.” Bolik wreef in zijn baard en huiverde bij de gedachte.
“Met z’n vieren hadden we hem makkelijk aangekund.”
“Ga weg, zonder magische wapens was ons dat nooit gelukt.”
“Kom zeg, zo’n kleintje.”
“En hou er nu over op. Ik ben doodmoe, ik wil slapen.” Bolik zocht kieskeurig een zachte steen uit om als hoofdkussen te dienen, en begon meteen te ronken, zonder zich verder zorgen te maken over demonen en andere dwergonvriendelijke wezens.
“Bolik heeft gelijk. We moeten eerst rusten en onze wonden laten helen. Morgen zien we wel weer.” Angelus legde zich op de grond naast Bolik, en ook Tryggvi moest toegeven dat hij eigenlijk best wel moe was.
Met tegenzin trok Adarel zijn borstplaat los, gooide het naast zich op de grond, en ging liggen. Het duurde een tijd voor de onrustige gedachten uit zijn hoofd verdwenen waren, maar uiteindelijk sloot ook hij de ogen en verzonk in een diepe slaap, dromend, van vriendelijke kobolden, kermende goblins en woeste demonen...